Museumzondag Blog

Outsiders van Joost Van den Toorn

Artikel/interview: Collectie Outsiderkunst Joost van den Toorn

2 apr 2010, door Mark Peeters

Origine nr 6, 2008 'Outsider Art heeft het in zich om en enorme hype te worden...'

  ‘Outsiderkunst heeft alles in zich om een enorme hype te worden…’ Nog even op de valreep haalt Joost van den Toorn zijn eigen betoog onderuit. Had hij net nog aan de keukentafel onder het genot van een kop groene thee (vermengd met jasmijn) zo stellig zitten beweren dat de meeste mensen zijn verzameling outsiderkunst beangstigend vinden. ‘Men houdt niet van waarzin. Men is bang voor eigen angsten…’ daarbij nog een waslijst aan argumenten waarom outsiderkunst typisch een hobby van insiders is en zal blijven ‘ongeschikt voor merchandising …zuivere kunstenaarskunst.’

 

  De toegang tot zijn atelier annex woning, een voormalige Mavo in Zaandam, lijkt vanaf de straat gezien wel een gesloten inrichting. Aan het hoge hekwerk hangt een waarschuwingsbord met Duitse herder. Hier waakt echter een mensenvriend met zachte blaf op korte poten die slechts wil snuffelen en over zijn bol geaaid worden. Binnen is het schoon en ordelijk. In het woongedeelte hangt zo ongeveer zijn complete verzameling op vele strekkende meters witte wand, onder en boven elkaar, goed belicht en deugdelijk ingelijst. Hier hangt veel moois van hoge kwaliteit, ook op hondhoogte. Daar komen we voor. Vraag een verzamelaar naar zijn collectie en de tijd vliegt om en altijd spijt van wat niet gekocht is.

Van den Toorn waarschuwde nog dat hij geen makkelijk prater is maar zodra het over zijn verzameling gaat volgen de verhalen in rap tempo. Om het verband te tonen met zijn eigen kunst moeten we eerst even naar zijn atelier, onderweg passeren we een Anton Heyboer.

 

  In zijn werkplaats, de voormalige gymzaal van de Mavo, hangen filmposters met Bruce Lee. Nieuwsgierig maakt een oud uithangbord van een distillerij met de firmanaam ‘Van den Toorn’. ‘Ooit was het de bedoeling dat ik de zaak van mijn vader zou voortzetten.’ Maar via een omweg, een onafgemaakte studie farmacie, meldde hij zich op de beeldhouwafdeling van de Rietveld academie. Daar ben ik vaak van afgestuurd maar evenzo vaak teruggehaald door steeds dezelfde leraar die mij met mijn vooropleiding wel zag zitten.’

Aan het deugdelijk gereedschap en apparatuur valt af te lezen dat hier niet wordt geklungeld of wat aan gerotzooid. Van den Toorn voert grote monumentale opdrachten uit maar bakt ook op huiskamerformaat beelden in eigen oven. Er staan beelden in de wacht van wat kinderlijk  ogende mensfiguren soms met verwarrende decoraties als een hakenkruis als oorbel. Sommige beelden zijn uit de jaren zeventig toen hij regelmatig exposeerde bij de galerie van Riekje Swart in Amsterdam maar ook recente die hij toont bij Tanya Rumpff in Haarlem.

‘Moderne figuratieve beeldhouwkunst in brons en keramiek, geïnspireerd op Gotiek, Etnografica, Outsiderkunst, met een scheutje zwarte humor’, komt bij googlelen als eerste bovendrijven en zo is het.

 

  Maar voor zijn beelden komen we niet, ook niet voor zijn verzameling uitheemse volkskunst, krissen en ander exotisch wapentuig of zijn prestaties in diverse Japanse vechtsporten maar wel voor zijn collectie outsiderkunst.

 Voor Van den Toorn heeft alles wel met elkaar te maken; Heyboer, sculpturen van Theo Niermeijer een houtskooltekening van de Duitser Dokoupil een curieus doek van Louis Saalborn, ‘net een Rene Daniëls’.

 ‘Het wereldje van outsiderkunst heeft er eigenlijk zelf weinig van begrepen, ‘die plaatsen zichzelf buiten de kunst en zien het als apart onderdeel. Wist je dat een directeur van een groot en belangrijk museum in Duitsland zelf een geweldig mooie collectie outsiderkunst heeft? Hij zal er nooit in zijn museum een tentoonstelling over maken.’

 

Volgt Van den Toorn als representant van hedendaagse kunst eigenlijk zelf wel de actuele hedendaagse kunst? Wat vindt hij bijvoorbeeld van Damiën Hirst? ‘Ach, ik kan me wel een voorstelling maken van een doorgezaagde koe; daar hoef ik niet voor naar een museum. Ik verzamel omdat outsiderkunst nergens in Nederland te zien is.’

‘Ik hou niet van gave, affe  producten. Ik begon met etnografica te verzamelen, dat doe ik nog steeds. Outsiderkunst begon ik te verzamelen halverwege de jaren negentig naar aanleiding van een bezoek aan De Stadshof dat toen nog een museum was in Zwolle. Een groot werk van Chris Hipkiss was het eerste dat ik kocht. Dat was bij galerie Hamer op de KunstRai voor duizend gulden. Het is nu een veelvoud waard maar ik heb niet meer. Ik vond het toch te gaaf, te af, te veel een product. Ik heb het aan mijn broer doorverkocht voor dezelfde prijs. Hij verzamelt inmiddels ook fanatiek. Hij heeft het nu uitgeleend aan Museum Guislain in Gent waar de collectie van De Stadshof is ondergebracht.’   

 

Voor Van den Toorn bestaat outsider kunst niet. ‘Ach, wat ‘outsiderkunst’… Sluitende definities en theorieën zijn onttoereikend om een oeuvre te  labelen. ‘Als Van Gogh geen brieven had geschreven aan zijn broer,’ vervolgt Van den Toorn op stellige toon, ‘was ie waarschijnlijk niet zo bekend geworden en als outsider terecht gekomen in particuliere verzamelingen.’  

‘Ik denk dat het aantal verzamelaars in Nederland op hooguit twee handen te tellen is; Reinier Lucassen en Armando verzamelen maar dan houdt het zo’n beetje op.’

 

Van den Toorn staat in zijn slaapvertrek voor een groot werk van Wolfgang Hueber waarop een masturberend figuur te zien is omgeven door beugelachtige vormen –‘die sloopt hij uit toiletten; niets is veilig voor hem’- . ‘De meeste mensen vinden dit werk veel te choquerend. Er rust een taboe op. Veel van deze mensen zijn behoorlijk geestesziek, kunnen vaak lezen noch schrijven. Toch zie ik weinig verschil in grote figuren uit de kunstgeschiedenis en outsiders. Deze mensen hebben toch ergens het besef kunstenaar te zijn. Ook het werk van outsiders valt te dateren en ze zijn zich ervan bewust dat ze kunstenaar zijn. Weet je… niemand is helemaal gek, joh… Dat geloof ik niet.’

 

Van den Toorn toont ter illustratie een uitnodigingskaart voor een tentoonstelling met de titel ‘Zugemalte Hoffnungslügen’ van Wolfgang Hueber bij Galerie Suzanne Zander in Keulen. In Hueber’s typische handschrift in potlood schreef hij half fonetisch nog net leesbaar ondanks de omkering van letters. ‘ich kom libep nit.’; Ik kom liever niet. ‘Hueber maakt in zijn eigen werk onderscheid in fantasie en werkelijkheid. Die noemt hij ‘Lügenbilders en Wahrheitsbilder. Kijk, de makers weten vaak donders goed dat ze kunstenaars zijn en dat hun werk verkocht wordt in galerieën en in musea hangt. Wat mij fascineert is dat zij in staat zijn ongefilterd en ongeraffineerd hun wereld weten om te zetten in beelden.’

Dan zouden er op de wereld toch duizenden goede outsider-kunstenaars moeten zijn? Waarom dan relatief veel geld uitgeven aan dit werk?

‘Er is maar een kleine top. De gave om een belevingswereld te transformeren met een potlood op papier of verf op een doek is kennelijk net zo zeldzaam bij deze mensen als kunstenaars die niet verpleegd worden.’

Een groot aantal van zijn verzamelde werk is gemaakt door  kunstenaars uit Gugging. Ze  verblijven in de bekende kliniek in de omgeving van Wenen opgericht door dr. Navratil die patiënten gelegenheid bood om als kunstenaars te werken in ateliers. 

Die Guggingkunstenaars zitten daar niet toevallig. Er is daar een kundig bestuur en als patiënt kom je daar niet zomaar. De Duitse kunstenaar Arnulf Rainer en Art Brut verzamelaar heeft daar ook mee te maken. Hij ‘übermahlt’ (tekenen of schilderen over een bestaat kunstwerk heen) ook werk van patiënten maar dat gaat mij te ver.’

‘Kijk, die tekening van Zitra, dat is toch precies Hans Hartung? Maar als je weet dat Hartung  Zitra verzamelde, dan verklaart dat wel zijn invloed. Geef mij dan toch Zitra maar. Veel sterker. En August Walla, zeer bekend onder kunstenaars, daar heeft Julian Schnabel goed naar gekeken; je ziet duidelijk dat hij soms l etterlijk iets van Walla heeft overgenomen.’

Van den Toorn over zijn nieuwste ontdekkingen.’De fransman Pepe Vignes, de Zwitser Benjamin Bonjour en de Duitser Kurt Wanzki… Nooit van gehoord? Ze spelen alle drie muziek op straat. Nee, niet samen, ze kennen elkaar niet maar toevallig spelen ze alle drie trekharmonica. Nee sorry, wacht even, Bonjour zingt…  geloof ik.’

Tussen de bekende namen als Nikifor, Otto Prinz, Franz Kernbeis en Philip Schöpke zien we een portret van Adolf Hitler getekend door Theo, een bekende outsider. Van den Toorn bezit een hele mooie en uitzonderlijk grote. Vanaf zijn 60e jaar tekent Theo de ene Hitler na de andere. Voor ons één prachtige reeks maar voor de maker zelf betekent het iets anders; een obsessie, persoonlijk leed, een trauma.’ 

Toch komt niet alles zomaar spontaan uit elke kunstenaar; een enkeling moet aan het werk gezet worden. Een zeer mooie tekening die zowel aan Paul Klee als Jan Schoonhoven doet denken. In een subtiel grafisch lijnenspel staat ‘Wald’ geschreven. ‘De psychiater zegt dan tegen hem (Otto Tschirtner) teken maar een bos. En dan maakt hij dit…’ ‘Kunst in opdracht dus…’ Van den Toorn lacht hartelijk bij dit verhaal dat weer eens illustreert hoe moeilijk het is om er iets algemeens over te vertellen.    

 

  Waar zijn fascinatie voor outsiderkunst precies vandaan komt weet Van den Toorn niet. ‘Ik maak geen onderscheid tussen outsiderkunst en andere kunst. Ik zit aan de andere kant van de kassa.’ Wat bedoelt hij daar mee? ‘Aan de ene kant heb je het publiek, dan de kassa en andere kant het podium en achter de schermen. Ik verkeer achter de schermen.’

‘Deze kunst valt niet te doorgronden en als ik een nieuwe aanwinst hier heb opgehangen dan groeit het op me.’ 

 

Mark Peeters 



Om te reageren moet je ingelogd zijn: Log in

Nog geen account? Registreer.
volgende > L.A.